De energievoorziening staat geregeld centraal in het politieke en economische debat. Discussies over de olievoorraden, het rendement van hernieuwbare energie en de ‘voors en tegens’ van kernenergie wisselen elkaar af. In Duitsland lijkt sterk te worden ingezet op de ontwikkeling van duurzame energie uit wind en zon. Nederland houdt diverse opties open.
In 2008 heeft Hiteq onderzocht op welke energievormen Nederland in 2030 een beroep zal doen. Een beroep op energie gaat in op vragen als: Welke impact hebben de verschillende opties op de Nederlandse samenleving? Gaat de consument de verschillende opties accepteren? Wat betekenen de veranderingen voor opleiding en werk van toekomstige technici?
Volgens die studie is het meest waarschijnlijke scenario dat Nederland het energievraagstuk opvangt door in 2030 een mix te gebruiken van schoon fossiel (~45%), duurzame energie als biomassa, zonne- en windenergie (~30%), kernenergie (~15%) en waterstof (~10%). Ook het decentraal opwekken van energie voor eigen gebruik (zonnecellen op het dak) neemt toe.
In welke mate en verhouding de verschillende bronnen gaan voorzien in onze energiebehoefte hangt af van mondiale en technologische ontwikkelingen op het gebied van energiewinning. Maar ook van de mate waarin het publiek windmolens omarmt, kernenergie accepteert en zelf actief energiebesparende maatregelen neemt.
De Nederlandse kenniseconomie biedt het Nederlandse bedrijfsleven kansen. Voor technici van beroepsonderwijs (van vmbo tot hbo) is er werk in de productie van energie. Ook in de rendementsverbetering van bijvoorbeeld zonnecellen, windmolens en centrales kunnen het wetenschappelijk onderwijs en Nederlandse bedrijven een rol spelen.